<< Mei 2019 >>
Ma Di Wo Do Vr Za Zo
    1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31    

La Societe Academique d'Histoire

In 1887 werd de eerste studentenvereniging in de opleiding geschiedenis gesticht. De ‘Société Académique d’Histoire’, ook wel het ‘Historisch Academisch Genootschap’ (H.A.G.), bestond gedurende 9 jaar tot 1896, wanneer de activiteiten werden stilgelegd omdat er te weinig opkomst was tijdens de samenkomsten. Onder zijn ereleden kon men van bij het begin al Henri Pirenne rekenen, die een grote invloed uitoefende op de vereniging. Onder impuls van Pirenne kwam er een heroprichting in 1905. De activiteiten waren zowel academisch als op gezelligheid gericht en waren bedoeld voor zowel studenten als oud-studenten geschiedenis. Ook andere studenten van de faculteit Letteren- en Wijsbegeerte konden zich als lid opgeven, alsook rechtenstudenten. De vereniging kwam gewoonlijk om de veertien dagen samen voor een lezing, maar er was ook plaats voor een “kantus” en de inwijding van de eerstejaarstudenten. Op 13 mei 1931 werd de vereniging opgedoekt “bij gemis aan belangstelling van zijn leden” door het laatste bestuur dat onder leiding stond van Antoine De Smet.

Groepsfoto van leden van de Société Académique d'Histoire in het academiejaar 1910/1911. Vlnr. 1ste rij: Maxime Van Nieuwenhuyze, Richard Vankenhove; 2de rij: Raymond De Decker, Jacques Pirenne (secretaris), Carlos Van Eeckhoute (voorzitter), Henri Lahaise (penningmeester) en M. Catulle; 3de rij: Hector Roulin, Otto Richter, Victor Vermast en Camille Bauters.


Het vermogen van de vereniging werd opgemaakt aan een liefdadigheidswerk. Bij de oprichting van de Vlaamse Geschiedkundige Kring wenste het bestuur van het H.A.G. “dat het nieuwe Historisch Genootschap moge groeien en bloeien, en vruchten afwerpen tot de grootmaking van ons volk".

 

De Vlaamse Geschiedkundige Kring - Since 1931

Aan het begin van de jaren ’30 werd de Vlaamse Geschiedkundige Kring gesticht. De nieuwe vereniging slaagde aanvankelijk in haar opzet de studenten Geschiedenis van de Gentse Universiteit te verenigen. Ondanks het verdwijnen van haar Franstalige tegenhanger waren de eerste jaren echter niet zonder moeilijkheden en kon het bestuur rekenen op kritiek van buitenaf, maar ook intern waren er moeilijkheden. Vanaf het midden van de jaren dertig, na het praesesjaar van Jan Dhondt, werd de situatie genormaliseerd en begon men aan een uitbreiding van de activiteiten, meer bepaald begon de V.G.K. zich te richten op de kwaliteit van het onderwijs. Aan het einde van de woelige jaren ’30 zal de V.G.K. ook nog de vereniging voor de kunsthistorici incorporeren.

“Het was op 26 november 1931 dat aan de Gentsche Rijkshogeschool de Kring werd opgericht tusschen de studenten in de Geschiedenis aan deze Rijkhogeschool en dat deze een bestuur samenstelden”. Met deze woorden begint het eerste jaarverslag van onze vereniging. Het doel van het eerste bestuur, bestaande uit Frans Blockmans (voorzitter), Frans Gevaert (secretaris) en Jan Van Acker (penningmeester), was een wetenschappelijke vereniging op te richten. Het wetenschappelijke lag in het organiseren van spreekbeurten over geschiedkundige onderwerpen. Vanaf het eerste jaar werd er een onderscheid gemaakt tussen ereleden en leden. Onder de ereleden kon de kring van bij het begin rekenen op de steun van vooraanstaande academici, waaronder de toenmalige rector Vermeylen.
Met de oprichting van de V.G.K. kwamen ook de eerste problemen, voornamelijk door zijn Vlaamse (en soms Dietsche) aspiraties. Zo kreeg de Kring ruzie met het nationalistische dagblad ‘De Schelde’ dat in haar nummer van 29 januari 1932 een brief van de Geneeskundige en Natuurwetenschappelijke Faculteitskring publiceerde met de volgende omschrijving van de stichting van de V.G.K.: “Nog maar enkele maanden is de Historische Kring aan het werk, en hij heeft toch reeds flink werk gepresteerd. (…) Deze historische kring was tot verleden jaar nog een quasi franskiljonsche vereeniging, waar de tweetaligheid, met voorkeur van het fransch, nog aan de orde van den dag was, en waarvan Prof. Pirenne het eerevoorzitterschap waarnam.”
Na het emeritaat van Prof. Pirenne was er ruimte voor een Vlaamse kring van historici die het vacuüm door het opdoeken van het H.A.G. kon opvullen. De meeste proffen verleenden hun steun aan de Vlaamse Geschiedkundige Kring, met uitzondering van Prof. Hubert Van Houtte, die weigerde nog langer lid te blijven van de kring. De kwestie werd uitgesmeerd in hetzelfde dagblad ‘De Schelde’, maar in een recht op antwoord besloot de V.G.K. dat ze geen politieke mening wou vormen. Daarnaast erkende de V.G.K. niet dat de H.A.G. in wezen de voorkeur had voor het Franstalige. In deze eerste jaren van de V.G.K. huisde de Kring in het toenmalige studentenhuis, St.-Jansvest 12.
In 1932-33 telde de V.G.K. 15 leden en 7 ereleden. In het jaarverslag schreef secretaris J. Gevaert met trots: “We gelukten erin te Gent, de primeur te geven van een voordracht door Dr. Floris Prims, over Jan Boendaele in het Antwerpsche kader; voordracht die achteraf na ons opnieuw te Gent door een andere vereeniging op touw werd gezet”. Het jaarverslag werd afgesloten met “(…) In het 2e akademisch jaar van de V.G.K., die onder betrekkelijk moeilijke omstandigheden verliep (er waren problemen met het contacteren van sprekers), heeft de V.G.K. dus vijf openbare vergaderingen en één boekje aan zijn leden gegeven. De V.G.K. heeft een bewijs van zijn leefbaarheid gegeven in deze twee jaren; de wensch van het aftredend bestuur is; ‘de V.G.K. groeie en blijve steeds in dienst van onze nationale geschiedkundige wetenschap’, het Dietsche volk ten bate!”
De volgende jaren telde de Kring zo’n 20 leden. Wegens de economische crisis werd het lidgeld gehalveerd en tot 5 Fr. Gebracht. In 1934-35 kwam men voor het eerst in contact met een vereniging van geschiedenisstudenten uit een andere universiteit, nl. met de Amsterdamse vereniging ‘Kleio’. Doorheen haar verdere geschiedenis zal de kring ook nog duurzame banden opbouwen met de verenigingen voor de studenten Geschiedenis uit Leuven, Brussel, Luik, Nijmegen en Utrecht.
1935-36 was een belangrijk academiejaar voor de Vlaamse Geschiedkundige Kring. Het werd een jaar vol bestuursmoeilijkheden. Van het verkozen bestuur nam de secretaris ontslag en verkoos de penningmeester niet te komen opdagen. Als dienstdoend penningmeester werd Jan Dhondt aangeduid. Wanneer ook de praeses het toneel verliet, nam Dhondt ook deze functie op zich.
Ondanks de interne problemen waren er heel wat activiteiten. Vooreerst had men de pogingen tot het oprichten van een V.G.K.-bibliotheek en was er de vraag aan het stadsbestuur om geschiedenisstudenten voortaan gratis toegang te verschaffen in de historische gebouwen van de stad Gent. Op deze vraag werd trouwens positief geantwoord! Op een voorstel aan de Standaard Boekhandel tot het bekomen van een lagere prijs voor het aanschaffen van het boek ‘Geschiedenis van Vlaanderen’ werd niet ingegaan. Ter ere van het vijfjarig bestaan organiseerde de V.G.K. een Lustrumbanket en voor het eerst in haar bestaan hield onze Faculteitskring zich in 1935 bezig met het Onderwijsbeleid van ons land.
Samen met Germania werden een aantal voorstellen tot wijziging van het stelsel van het hoger onderwijs geformuleerd. Met het oog op het organiseren van een “Interacademiale conferentie van studeerenden in de geschiedenis” werden de contacten met andere universiteiten uitgebouwd. Alvast duidelijk is dat de Leuvense Historische Kring, in samenwerking met Prof. Geyl, de voorkeur gaf aan een Nederlandse conferentie, eerder dan een Belgische. In deze laatste “zijn de Franssprekenden in de meerderheid, dus zou het Frans de voertaal moeten zijn”. Iets wat de Leuvense praeses niet echt zag zitten. De geplande conferentie werd uiteindelijk in Zeist (Nederland) georganiseerd zonder afvaardiging van Leuven of Gent. Intussen werden er ook contacten met de Cercle Historique van de U.L.B. opgestart.
Eveneens in hetzelfde jaar diende de V.G.K. bij het Gents Studentencorps (G.S.C.), dat de studentenverenigingen overkoepelde, voorstellen in tot wijziging van de Corpsstatuten, in meer democratische zin. Wanneer de voorgestelde hervorming van het G.S.C. steeds op lange baan werd geschoven, protesteerde de V.G.K. in een motie waarna een groot deel van haar voorstellen werd aanvaard. Het academiejaar 1935-36 werd als volgt besloten:
“Uitgenodigd door de Wetenschappelijke Kring om de avond met hen te besluiten werd op afdoende wijze de superioriteit der geschiedkundige wetenschappen boven alle andere bewezen. Tot slot werd in stille maneschijn een nachtwandeling met veel weerklank langs het strand van de Leie ondernomen. We gingen uit mekaar toen het Belfort 3 uur aanwees. Zo werd op een gezellige wijze een academisch jaar besloten dat voor ons vol geestdrift en jool was geweest”.
Het werk van Jan Dhondt werd beloond met een tweede ambtstermijn als praeses. In het jaar 1936-37 kende de V.G.K. haar eerste vrouwelijke praesidiumlid: Louisa Blancquaert werd vice-praeses. Joris Blancquaert, secretaris van de V.G.K., werd ondervoorzitter van het G.S.C.
Jaar na jaar steeg met de activiteit van de Kring ook het ledenaantal. Bezoeken aan de Bijloke en de St.-Baafsabdij werden klassiekers. Na verloop van tijd werden ook de banden met de Kunst- en Oudheidkundige Kring (V.K.O.), de faculteitskring van de kunsthistorici, aangehaald. Op vraag van het G.S.C. werd op 25 april 1939 “veelbewogen en heftig” vergaderd teneinde een hechte samenwerking tot stand te brengen. Na een eerder negatief antwoord smolten de twee verenigingen samen op 9 april 1940. Jan Cox werd als vertegenwoordiger van de kunsthistorici in de V.G.K. opgenomen en de V.K.O. hield op met bestaan. De meeste vergaderingen van de V.G.K. vonden vanaf het midden der jaren ’30 plaats in ‘Huize Mc. Leod’, St.-Pietersnieuwstraat 98.
“Nadat de zitting in feestelijken roes geheven werd, namen de cohorten der historici bezit der Gentsche straten. De V.G.K. gaf daarbij de volle maat van zijn kunnen en zijn activiteiten manifesteerde zich in alle richtingen. (…) Wat niet belette dat de historici dinsdagmorgen om 8u de lessen in dichte drommen bijwoonden”. – 19 april 1947.

 

V.G.K. in het verzet!

De bezettingsperiode werd door de V.G.K. niet met lede ogen aangezien. Al van bij het begin stond de kring in de voorhoede om het Gentse studentenmilieu eendrachtig te houden. Na een coup op het Gentse Studentecorps (dat werd omgedoopt tot het Gentse Studenten Verbond) door een collaborerend bestuur, besluit de V.G.K. ondergronds te gaan en zich actief te verzetten tegen de Nazigezinde verenigingen aan de Universiteit. Zij in de eerste plaats tegen een pseudo-V.G.K. die door het VNV-gezinde GSV werd opgericht.
De Tweede Wereldoorlog was voor het hele Gentse Studentenleven een moeilijke periode. Al in de aanloop naar de bezetting werden heel wat studenten uit het verenigingsmilieu gemobiliseerd, zo ook Vic Thijs, de penningmeester van de V.G.K. (’39-’40). Doch, het academiejaar 1940-41, onder het praesidium van Kamiel De Vleeschouwer, puilde uit van activiteit, tenminste “…toen de meeste studenten, die het land op regeringsbevel hadden verlaten, waren teruggekeerd.”. Men probeerde zoveel mogelijk terug te keren naar de normale gang van zaken en de V.G.K. werkte een beter seminariereglement uit, evenals een betere uitleningsformule voor de Centrale Bibliotheek. Verder werden op initiatief van de V.G.K., in de naam van de Faculteit L&W, met het rectoraat besprekingen aangeknoopt in verband met de voedselvoorziening, verwarming en treinverkeer voor de studenten. Deze besprekingen liepen af in het voordeel van de studenten.
De V.G.K. weigerde in het begin van de Tweede Wereldoorlog politiek stelling te nemen. Toch wijst het jaarverslag 1940-41 op een verslechterde relatie met het Gents Studentencorps, dat begin 1940 was omgevormd tot Gents Studentenverbond (GSV). Het GSV overtrad meer en meer de statuten van de afzonderlijke kringen en poogde vooral op praktisch vlak hun autonomie terug te schroeven. De V.G.K. was voorstander van “één verbond dat de studenten kan groeperen op studentikoze basis”. Bovendien werd er in het GSV een Fakulteitenkonvent (FK – het overkoepelende orgaan van de wetenschappelijke faculteitskringen) gesticht. “Met dit Fakulteitenkonvent, waartegenover wij alleen rekenschap af te leggen hebben over onze daden als Kring, hebben wij solidair gestaan en zullen wij solidair blijven staan”. De statuten van het nieuwe FK werden gebaseerd op voorstellen van het V.G.K. bestuur dat initiatiefnemer was voor de oprichting van het Konvent.
Het GSV kwam onder verbondspraeses R. Van den Abeele (een oud-secretaris van de V.G.K.) onder nazi-controle te staan. Het zocht banden met nationaalsocialistische groeperingen en kwam, o.a. door de oprichting van een heuse ‘verbondwacht’ ook openlijk voor haar keuze uit. Een keuze die niet strookte met de V.G.K. statuten die bepaalden dat de V.G.K. zich richtte “tot alle studenten historici, welke ook hun ideologie moge wezen”. Bij het begin van het academiejaar 1941-42 brak de ruzie tussen het GSV en onze faculteitskring pas echt los toen de ledenwerving ter sprake kwam. De V.G.K. werd de spreekbuis van de weerspannige kringen. V.G.K. praeses Heli Roosens werd voorzitter van het Faculteitenkonvent en startte meteen onderhandelingen met het GSV over de wens om los van het GSV leden te werven. GSV praeses Robberechts probeerde de V.G.K. binnen het GSV te houden daar anders ook het verbond niet meer zou kunnen leven. Het GSV wilde dat iedereen die lid
werd van een faculteitskring, ook automatisch lid werd van het GSV. Daarenboven eiste het GSV uniforme statuten voor de kringen, evenals de centralisatie van alle financiële transacties (ook de inkomsten!). Het resultaat was dat Heli Roosens als FK voorzitter werd ontslagen.
Hoe dan ook zette de V.G.K. bij de definitieve start van het academisch jaar haar ledenwerving in zonder de studenten ook automatisch als GSV lid aan te geven. Medio november werd de V.G.K., samen met nog enkele andere faculteitskringen, uitgenodigd door het GSV. Daar werd hen duidelijk gemaakt dat ze, indien ze het verbondsstandpunt niet bijtraden, ze het GSV moesten verlaten. De breuk met het GSV bleek definitief. Zeker toen bleek dat het GSV binnen het verbond een pseudo-V.G.K. had opgericht onder de leiding van enkele VNV getrouwen. De spanning tussen de V.G.K. en GSV bereikte een hoogtepunt op 27 november 1941. Toen kon een spreekbeurt van dr. A. Corbet niet doorgaan wegens een inval van de GSV verbondswacht. Deze had op voorhand verwittigd “met geweld iedere vergadering te beletten van onverantwoorde elementen”. Dezelfde avond werd de volgende principeverklaring van het V.G.K. bestuur door de leden unaniem goedgekeurd:
“*…+ We willen aan niemand beletten lid te worden van het GSV: we hebben meer eerbied voor ieders persoonlijkheid dan het bestuur van wiens hoffelijk optreden ge dezen avond een staaltje hebt gezien. Doch is er meer: Ge weet allen dat er een nieuwe kring gesticht is met al praeses F. Leonard. Die mannen zijn zoo weinig spiritueel dat ze nog niet eens een eigen naam aan dit organisme kunnen geven: het is dus nog een naamloze bastaard. Door het oprichten van die kring hebben ze gepoogd twist en tweedracht te brengen onder de historici, ze hebben afbreuk gedaan aan de spreekwoordelijke en traditionele historische geest en historische gezelligheid. *…+ Wij kennen hen niet meer, voortaan beschouwen wij hen als vreemdelingen. De goede historische gezelligheid is niet meer voor hen, wij werpen de paarlen niet voor de zwijnen. *…+ Comilitonen, onze taal en onze houding is dus klaar; zij zijn geoordeeld. Wanneer de echte historische geest onder ons blijft zijn wij onaanvechtbaar. Nog ons laatste woord tot u, schachten en schachtinnekes: heb vertrouwen in ons, op ons kunt ge rekenen. Wanneer ge aan uw Kring getrouwe blijft zult ge het goed hebben in onze Universiteit en dan zal de oude historische geest in onze goede stede voortleven. Tot spijt van wie ’t benijdt.”
Na november liet het GSV de V.G.K. met rust. Meer nog, onze kring slaagde er in zelf in elke activiteit van de pseudo-V.G.K. in het seminarie geschiedenis onmogelijk te maken. De hele affaire legde de V.G.K. trouwens geen windeieren en het ledenaantal bleef gestaag groeien. De vergaderingen groeiden uit tot een soort manifestaties, waar heel wat studenten, lang niet allemaal historici, aanwezig waren. Een voordracht van bijvoorbeeld professor Strubbe werd door ruim 100 personen bijgewoond. De V.G.K. werd in haar strijd tegen het autoritaire GSV gesteund door de meeste geschiedenisprofessoren. Proseniores als Frans Blockmans [praeses 1931-1933] en Jan Dhondt [praeses 1936-1937, red.], die intussen doctor in de geschiedenis waren geworden, speelden een niet onbelangrijke rol. De Lustrumviering naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de kring werd een onverhoopt succes.
De Vlaamse Geschiedkundige Kring werd bij haar streven tegen het autoritaire GSV geholpen door Romania, het Rechtsgenootschap, de Natuurwetenschappelijke Kring, de Pharmaceutische Kring, De Dierengeneeskundige Kring en de Technische Kring. Het GSV moest noodgedwongen de Faculteitskringen volledige vrijheid van handelen geven, wat toeliet dat deze zich organiseerden. Ook
op interuniversitair vlak roerde er wat. Op 22 december was het zover: op een bijeenkomst in Leuven werd besloten een Nationale Studentengroepering (NSG) op te richten. Te Gent kwam onder de van het GSV afgescheurde kringen een lokale afdeling tot stand. Drie kringen werkten hierbij nauw samen: de V.G.K., de Wetenschappelijke Kring en Romania. Naar buiten uit manifesteerden zij zich hoofdzakelijk door ‘Klokke Roeland’, een studentensluikblad dat op min. 250 en max. 500 exemplaren verscheen.
Op 3 juni 1942 werd tijdens een geheime vergadering – er was “volgens de traditie van het bestuur” – geen toestemming gevraagd aan de Propaganda-Abteilung, het praesidium 1942-43 verkozen. Op deze vergadering, die even dreigde slecht af te lopen daar ze bijna werd ontdekt door “een bende Hitlerknechten-Germaansche SS mannen”, werden aftredend praeses Heli Roosens en vice-praeses Herman Corijn door de aanwezigen uitvoerig bejubeld wegens bewezen diensten. Na zijn verkiezing maakte de nieuwe praeses Walter Vangeenberghe een driepuntenprogramma van de V.G.K. bekend, waarin hij zich uitsprak tegen het extremisme van de GSV.
De V.G.K., alsook de andere verzetskringen, zouden de tol voor hun houding moeten betalen. Hubert Janssens, vertegenwoordiger van de kunsthistorici in het V.G.K. bestuur, werd eind juni 1942 door de bezetter aangehouden wegens het verspreiden van ‘Klokke Roeland’. Hij kreeg vijf maanden gevangenisstraf. Lid André Schaepdryver werd, ook al wegens zijn medewerking aan ‘Klokke Roeland’, verplicht onder te duiken en vluchtte naar Engeland in de hoop er de Belgische Brigade te vervoegen. In augustus werd Praeses Walter Vangeenberghe aangehouden op beschuldiging van anti-Duitse houding, anti-Duitse propaganda en ook dat hij als Praeses van de V.G.K. niet had kunnen beletten dat in het seminarie van de Geschiedenis ‘Klokke Roeland’ verkocht werd. Ook werd hij, daar hij alles steeds bleef ontkennen, slechts enkele maanden vastgehouden. Jan Verbruggen, penningmeester van de V.G.K., werd met steun van de proseniores Heli Roosens en Dr. Jan Dhondt de dienstdoende praeses. Het officieuze hoofddoel van de vereniging bleef de vernietiging van het GSV en de strijd tegen de aanhangers van de Nieuwe Orde (ten dienste van het Onafhankelijkheidsfront!). Officieel bleef de V.G.K. een apolitieke faculteitskring. Deze werking leverde hen een nieuw ledenrecord op: 55. De actie tegen het GSV werd vergemakkelijkt toen deze zich openlijk tot nationaalsocialistisch studentenverbond uitriep.
Doch, de V.G.K. werd op 30 november in al haar enthousiasme gestuit door een brief van Rector G. Desmet [in opdracht van de Militärverwaltung] waarin de V.G.K., alsook de andere afgescheurde verenigingen werden aangemaand om of het GSV te vervoegen, of de kring te ontbinden. De V.G.K. besloot, evenals de Natuurkundige Kring en Romania, de eer hoog te houden en op 12 december de Kring te ontbinden. De V.G.K. wou echter haar visitekaartje nog achterlaten bij het GSV. Samen met de Wetenschappelijke Kring, de Wiskundige Kring en Romania werd een vergadering belegd bij het Rechtskundig Genootschap, de Economische Kring en de Pharmaceutische Kring in de hoop deze ook los te weken uit het Verbond waardoor dit geheel in elkaar zou vallen. Het bestuur van de Wiskundige Kring besloot eveneens haar vereniging te ontbinden. De praesides van het Rechtsgenootschap, de Economische Kring en de Pharma bleven omwille van pragmatische redenen aangesloten bij het Verbond. Het archief werd voor alle veiligheid ondergebracht bij secretaris Scholliers en alle leden kregen een deel van het lidgeld terug, maar ondergronds ging de verzetactie voort. ‘Klokke Roeland’ bleef verschijnen en kende ruim succes. De V.G.K. kreeg wegens haar activiteiten zelfs een vermelding door Radio London. In het geheim werden vergaderingen belegd in café De Hel alsook “plezierpartijtjes” bij Dr. Dhondt thuis.

 

Een nieuwe start na de Tweede Wereldoorlog

Na de bezettingsjaren begon de V.G.K. met een nieuwe doorstart. Helaas ging die niet meteen van een leien dakje. Het bleek aanvankelijk erg moeilijk om leden te werven, maar na een modernisering van de kring en de uitbreiding van het aanbod aan activiteiten kon de V.G.K. opnieuw verder. Aan het einde van de jaren vijftig slaagde de kring erin opnieuw het gros van de studenten Geschiedenis achter zich te scharen.
Na de Tweede Wereldoorlog hernam de V.G.K. haar activiteit als niet-politieke faculteitskring. De Nationale Studenten-groepering (NSG) werd de Gentse overkoepelende studentenvereniging met de faculteitskringen als basis van haar structuur en activiteit. Begin maart 1947 vierde onze Kring haar derde Lustrum met een geslaagde academische zitting in de academiezaal van de universiteit en een banket in Hotel Britannia. Blijkbaar had de vereniging aanvankelijk nog problemen met de ledenwerving, maar na verloop van tijd groeide het aantal opnieuw gestaag. In een Nieuwjaarstoespraak, speciaal gericht tot de eerstejaarsstudenten, waarin praeses Paul Morren de studenten aanspoorde hun plicht te vervullen en lid te worden, omschrijft de V.G.K. als volgt:
“Dit is het karakter van de Vlaamse Geschiedkundige Kring: Vlaams van taal en uitdrukking, Vlaams als kring van een universiteit van het Vlaamse land, Vlaams, jawel, maar in een nationaal Belgisch kader. Geschiedkundig, dat is duidelijk. Maar vooral het begrip ‘Kring’ trachtten we in praktijk te verwezenlijken, opdat we allen samen in studentikoze solidariteit het aangename met het nuttige zouden kunnen afwisselen. Dit is de dankbare taak die de V.G.K. zich voorneemt te verwezenlijken.”
De activiteitenkalender werd uitgebreid met brouwerijbezoeken, sport (meestal competitief tegen andere faculteitskringen), ‘dansavonden’, clubs of cantussen, … In 1948 werd er gestart met een V.G.K. tijdschrift. Het heette ‘Diplomata, Officieel orgaan van de Vlaamse Geschiedkundige Kring’. Het maandblad besloeg telkens zo’n 20 folio-bladzijden en er werden uiteenzettingen van professoren en studenten in gepubliceerd.
De jaren vijftig werden ingezet met 35 leden. Onder hen bevonden zich o.a. Jaap Kruithof en Adriaan Verhulst. Op 24 oktober 1950 werd door de V.G.K. voor het eerst een L.&W.-cantus georganiseerd. In 1951-52 slaagde praeses Wouters er in alle 38 geschiedenisstudenten lid te maken. In het jaarverslag meldt hij niet zonder trots:
“In haar vier lustrums heeft de V.G.K. er zich ononderbroken voor ingespannen de trouwe seminarieratten nauwer bij elkaar te brengen in broederlijke samenhorigheid waaraan niemand zich onttrekt: allen zijn lid!”.
1954-55 werd opnieuw een hoogjaar in de V.G.K. annalen. Zowel op feestelijk als op sportief vlak werd dit jaar, met als praeses Wim Theuns, een hoogvlieger. “Zoals alle jaren speelde onze S.H.F.T.G. (Special Historical Football Team of Ghent) een verpletterende match tegen de germanistjes. Nadere bijzonderheden over de precieze draagwijdte van de verplettering achten we hier eerder ongepast.” Over het financiële aspect van de activiteiten vonden we het volgende: “Op 12 januari 1955 liepen de zalen van de Gentse Beurs vol en de koffers van de V.G.K.-schatkist leeg, voor en door het machtige ‘Filologen en Historici-bal’. Er was veel jolijt onder het profanum vulgus al was het plichtsgetrouwe bestuur die avond eerder droefgeestig. Een oproep tot de Verenigde Naties bleef financieel onbeantwoord; gelukkig waren er nog de Professoren om de V.G.K. personaliteiten uit het bankroet en de schande en het rolleke te helpen”. Het bal werd voortaan vervangen door een gewone
fuif.Tijdens diezelfde jaren vijftig ging er ook jaarlijks een Culturele Avond in de Veneziana door, met voordracht, muziek, zang, goochelen, kwis, enz. Op dergelijke avonden werden vooral de capaciteiten van de leden onder de loep genomen. De meeste cantussen en samenkomsten gingen door in café De Roden Hoed, in Klein Turkije.
In het academiejaar 1956-57 vierde de V.G.K. haar zilveren jubileum. De Lustrumviering bezorgde onze vereniging een welverdiende onderscheiding. Op initiatief van enkele tweede kanners nam de V.G.K. deel aan de Gravensteenstoet. Tot eenieders verbazing kaapten de geschiedenisstudenten met de groep ‘Historische Koppels’ de eerste prijs weg. De Academische Zitting en het Lustrumbanket werden een succes. Ook het Lustrumbal van 4 december verliep zonder problemen.
Ook de volgende jaren bleef het ledenaantal stijgen. In 1957-58 telde de V.G.K. 72 leden. In 1958-59 zorgde praeses L. Milis voor de volgende stunt: op een totaal van 92 studenten werden er 83 lid, terwijl er niet minder dan 41 ereleden werden ingeschreven. Naast enkele uitgesproken historische activiteiten zoals een trip naar Frans Vlaanderen en enkele voordrachten werd natuurlijk ook het studentikoze niet uit het oog verloren. Naast een smadelijke 2-7 voetbalnederlaag tegen het Vlaams Rechtsgenootschap zorgde Milis als praeses nog voor een andere primeur: een pannenkoekenmaal met cantus. Io Vivat! Een van de laatste wapenfeiten van Ludo Milis als Senior was de in het Latijn aangekondigde ‘Maximum cantum ubi canetis et bibetis Meiresonnam sufficienter, sed non coffiam’. De gevolgen:
“80 liter bier werden uitgesalamanderd en waar weinig speeches optraden, werd er meer gezongen of… geschreeuwd. Last but not least traden enkele V.G.K. bulldozers in werking (vice-praeses Frans Thevelin en Louis Bril) die de Vlaamse Leeuw met zoveel overtuiging zongen dat de schouw van de Rode Hoed het begaf en genoemde kommilitonen naar beneden vielen, terwijl twee anderen (o.a. Jef De Belder) het nodig achtten door hun stoelen te zakken. Een reuze-avond, maar 1000 frank verloren geld als schadevergoeding te betalen…”

 

De activistische jaren zeventig

De positieve tendens kon worden voortgezet tot het begin van de jaren ’70. De V.G.K. kon zijn activiteiten zonder al te veel problemen verderzetten. Vanaf de jaren ’70 verandert de situatie. De kring werd erg actief in de strijd tegen geplande onderwijshervormingen, maar moet vooral concurreren met het radicaal-linkse Sowege dat steeds populairder werd onder de studenten Geschiedenis.
Tijdens de jaren zestig maakte de V.G.K. langzaam maar zeker kennis met de meer geëngageerde student. Toch werd het studentikoze niet uit het oog verloren. Het (voorlopig) record qua bierverbruik op een clubavond werd tijdens de schachtendoop van het academisch jaar 1965-66 gevestigd: 23 bakken, ofte 138 liter pils vloeide door de dorstige kelen. Voor het overige deel van de jaren ’60 zijn onze archieven erg karig met informatie. We kunnen er voornamelijk uit opmaken dat het praesidium erin slaagde verder te gaan op het elan van de late jaren ’50: de V.G.K. bleef een brede studentenkring die met zijn aanbod de studenten Geschiedenis bleef animeren.
In 1970-71 kreeg onze kring voor het eerst een vrouw als praeses: Hilde Corremans. Haar verkiezing had dan nog heel wat moeite gekost. Rond de kerstperiode achtte het Faculteitenkonvent de verkiezing van praeses Mark Roosen niet reglementair. Er moesten bijgevolg nieuwe verkiezingen
georganiseerd worden. Hilde Corremans haalde het na drie stemronden met 58 stemmen tegen 54 stemmen.
Na de verkiezing van praeses Corremans begon de V.G.K. met een activistisch onderwijsprogramma, onder impuls van de secretaris Adriaan Linters. Het was Piet Vermeylen, in die dagen minister van onderwijs, die dat mocht ondervinden. Deze minister had voorgesteld het vak geschiedenis in de laatste jaren van het secundair onderwijs te vervangen door een vak ‘Maatschappelijke vorming’. In de schoot van de V.G.K. werd de werkgroep ‘Historicimacht’ opgericht. Toen in een referendum de meerderheid van de studenten voor harde actie opteerde gingen de geschiedenisstudenten de straat op. Het toppunt van de acties kwam er bij de eerste steenlegging van Home Vermeylen, waar de minister aanwezig was (August Vermeylen was zijn vader). Er werden ook ludieke acties georganiseerd, zoals een tweedaagse bedevaart naar Brussel. Een nooit geziene samenwerking tussen professoren, academisch personeel en studenten zorgde er mede voor dat de minister een jaar later zelf geschiedenis werd. In hetzelfde academiejaar zag een nieuw V.G.K.-tijdschrift het levenslicht: Histopia. Het volgende academiejaar, met daarin de viering ’40 jaar V.G.K.’, stond Adriaan Linters aan het roer. Hij maakte o.a. van de zorg voor het historisch-cultureel erfgoed een V.G.K. agendapunt. Naast enkele voordrachten en uitstappen, werd er onder zijn bestuur ook een tiendaagse reis naar Berlijn georganiseerd.
Toch betekenden de jaren ’70 voor onze Kring een periode van verval. Binnen de V.G.K. werd de Werkgroep Kritische Geschiedenis opgericht. Het was de bedoeling de studenten door deze werkgroep kennis te laten maken met allerlei maatschappelijke problemen. De werkgroep kon onafhankelijk van de V.G.K. haar gang gaan. Hoewel de reizen naar Istanbul en Berlijn enthousiast waren onthaald, begon men steeds meer het nut van de Faculteitskringen in twijfel te trekken. De “antikapitalistische en anti-imperialistische” Sociale Werkgroep Geschiedenis werd opgericht. Al snel nam Sowege de bovenhand op de V.G.K. en de kring kreeg het moeilijk om te concurreren. In maart 1974 riep de V.G.K. de geschiedenisstudenten, onder de titel ‘This could be the last time’, als volgt op om een cantus mee te beleven.
“Bij een cantus zouden volgens ons in de eerste plaats de sociale aspecten aan bod moeten komen, t.t.z. het is een samenkomst van mensen in een andere, lossere sfeer dan de ‘schoolse’. *…+Enkel de bozen zingen niet”.
Groepsportret van de V.G.K. in Berlijn (1972). ©Adriaan Linters
De V.G.K. bleef niet ongevoelig voor de tijdsgeest maar stond in deze jaren zeker in de schaduw van de Werkgroep. Midden de zeventiger jaren liet de Kring de studentenvertegenwoordiging, de cultuur en diensten voor de studenten aan de Werkgroep en hield ze zich niet meer bezig met traditioneel studentikoze activiteiten. De V.G.K. organiseerde enkel nog sportactiviteiten, fuiven en heel af en toe eens een uitstap. Ook de jaarlijkse cultuurreis raakte in verval. Het ledenaantal liep terug tot enkele tientallen.

 

De eighties en nineties: VGK 2.0

Tijdens de jaren tachtig en negentig kon de V.G.K. verder doorgroeien door enkele ingrijpende veranderingen in de manier waarop de kring fungeerde. Enkele praesides waren verantwoordelijk voor een omwenteling in de Vlaamse Geschiedkundige Kring met als gevolg een bredere basis leden en het einde van de concurrerende vereniging Sowege. De V.G.K. stelde zich voor als de enige relevante studentenvereniging voor de opleiding Geschiedenis en slaagde daar ook in door te investeren in nieuwe diensten die de studenten op studievlak vooruit hielpen.
In het Academisch jaar 1979-80 werd al op 29 januari het bestuur voor het volgende jaar verkozen. Vanaf dan nam praeses Hans Ooms voldoende de tijd om de stap naar de jaren tachtig te wagen. Het aantal bestuursleden werd verhoogd tot negen. Het V.G.K. bestuur legde er bij de studenten de nadruk op de enige vereniging te zijn die “alle studenten geschiedenis van de R.U.G. groepeert, zonder onderscheid van o.a. politieke gezindheid”, hierbij duidelijk alluderend op de concurrerende Sowege. Een jaar later herwint de V.G.K. opnieuw haar vertrouwen en viert hoopvol haar vijftigste verjaardag met onder meer een voetbaltoernooi tussen de ploegen van de kandidatuur- en licentiestudenten, de Cliostamp. O.S.G.G., Leuven geschiedenis en Antwerpen geschiedenis.
In een uiteenzetting ter gelegenheid van het tiende lustrum probeerde praeses Deblond een verklaring te zoeken voor de moeilijkheden van de V.G.K.. Hij vindt deze in het feit dat velen in het verleden hebben gezocht de Kring een reden van bestaan te geven.
“Die reden van bestaan van de V.G.K. verandert even snel als er studenten in de geschiedenis komen en gaan. De jonge mensen in jaar x onnoemelijk veel liters bier naar binnen kappen, gaan in jaar y bloedernstig naar een spreekbeurt van een eminente vorser en staan in jaar z de universitaire campus te bezetten om een of ander socio-politiek onrecht te wreken”.
In 1982 staat onze vereniging opnieuw op sporen. Praeses Peter Delbeke bouwt verder op het werk van Deblond. Hij breidt het bestuur van de Kring uit, decentraliseert de bevoegdheden van het Hoogpraesidium naar de overige bestuursleden en geeft hen meer bevoegdheden. Zo krijgt de vereniging een nieuwe dynamiek die het best waar te nemen is in het stijgend ledenaantal. Van 25 leden in 1979-80 naar 163 leden in 1983-84. Het V.G.K. tijdschrift ‘Het Veer’ werd een nieuwe waarde, alsook de jaarlijkse Breughelavond, een regelmatige busreis naar de Schaatspiste in Gullegem. Op dinsdag 14 december werd een heuse Blandijnfuif georganiseerd. Voor de eerste maal werd het door een samenwerking tussen alle verenigingen in de Blandijn mogelijk een fuif te organiseren in de Vooruit. In 1985 werd, onder praesidium van Klaus Van Isacker, in samenwerking met Sowege, het eerste historische filmfestival georganiseerd. Tot 1991 probeerde de Sowege verschillende malen de V.G.K. structuren (en de subsidies) over te nemen door deelname aan de praesidiumverkiezingen, maar hier zijn zij nooit in geslaagd. In 1989 werd voor het eerst door de V.G.K. een heus Galabal georganiseerd, meteen een succes met 263 aanwezigen!
De concurrentie met Sowege werd aan het begin van de jaren ’90 stilaan verleden tijd, hoewel de vereniging nog tot 2001 actief bleef. De hervormingen binnen het V.G.K. bestuur bleven echter niet uit. Voornamelijk vanaf het midden van de jaren ’90, met de praesidia van presides Vanheuverbeke, Beelaert en Debaenst kreeg de kring opnieuw een tweede adem door de verdere modernisering. De V.G.K. ging zich opnieuw verder toeleggen op het academisch vlak en zal zich inzetten op de verkoop van handboeken en studentencursussen. Tijdens deze periode nam het aantal studenten Geschiedenis een hoge vlucht en dat werd weerspiegeld in de succesvolle praesidia die elkaar opvolgden. De V.G.K. begaf zich, na een lange periode van afwezigheid, opnieuw op het strijdtoneel van het Faculteitenkonvent. Na Heli Roossens en Adriaan Verhulst in de jaren ’40 en ’50, mocht het FK opnieuw een V.G.K.’er aan het hoofd van het konvent verkiezen. In het academiejaar 1998-99 werd Wim Beelaert verkozen, een aantal jaar na het voorzitterschap van zijn broer. Wim maakte komaf met de stilaan in gebruik genomen “VGesK” (het stond zelfs een aantal jaar op de linten vermeld) en herstelde de afkorting “V.G.K.” in het Faculteitenkonvent. Na Wim Beelaert werden nog een aantal geschiedkundigen tot voorzitter verkozen van het FK; achtereenvolgens Nele Vanslembrouck (2000-01), Emmelien Werbrouck (2008-09), Wim Beeckaert (2012-13) en ten slotte Jens Vanden Meerschaut (2014-15). Het laatste decennium werd dan ook gekenmerkt door een grote invloed van de V.G.K. in het Faculteitenkonvent, waarvoor zij niet alleen de voorzitter maar ook vaak andere bestuursleden aanleverden.

 

V.G.K. na het millennium

Na het lustrum ter ere van 75 jaar V.G.K. dook het bestuur het nieuwe millenium in met een duidelijke missie: een brede, a-politieke en toegankelijke studentenvereniging met representatie
voor de studenten op alle mogelijke manieren. Het aanbod bleef zo breed mogelijk; reizen, sporten, feesten, … Het Veer werd voortaan gratis en men bereikte een grotere groep lezers.
Het regende originele activiteiten zoals een “nostalgie-avond” met wafeltjes en chocomelk, “schaken met de V.G.K.”, een “Uniform Night” (waarbij in de uniformen van verpleegsters, hostessen en stewardessen danig de knip werd gezet) “een rock-‘n-roll dansinitiatie” en voor het eerst ook “Departuur”. Dit laatste was een initiatief van de V.G.K. en studentenkring Filologica (een samensmelting van het vroegere Germania en Romania). Een muzikale en literaire avond die enkele honderden bezoekers trok, maar helaas een derde en laatste keer plaatsvond in 2010 waarna het niet langer meer werd georganiseerd. Hoewel er ook nog werd gecantust is het duidelijk dat de Vlaamse Geschiedkundige Kring in de eerste plaats een cultuur minnende werking had. Op de laatste cantus van het jaar 2007-2008 kon men nog net rekenen op de aanwezigheid van de eerstejaars op de laatste cantus van het jaar: slechts drie moedige zielen hadden het kunnen opbrengen om die avond vrij te maken.
De V.G.K. zat toen al in haar huidige stamcafé, de Amber. Terwijl een honderdtal historici in spe zich gezellig in de Amber nestelden voor een gezellig avondje gebabbel bij een goede pint, werd in 2008 nog voor onverwachte randanimatie gezorgd. Die avond was er in de Blandijn een debat georganiseerd door de indertijd niet-erkende studentenvereniging NSV, die het auditorium dan maar gewoon had gehuurd voor een fikse prijs. Enkele linkse bewegingen waren hier niet mee gediend en besloten om het debat 'vreedzaam te blokkeren'. Wat volgde was een opstoot van jewelste, waarbij een deel van het NSV alsnog binnenraakte langs de zij-ingang, maar vervolgens zelf opgesloten werd in een auditorium door enkele gemaskeerde linkse rakkers. Aan de hoofdingang werd ondertussen vrolijk geprotesteerd, probeerde de rector te bemiddelen, voerde Voorpost samen met Filip De Winter een charge uit en brak de arme rector daarbij zijn bril. Benieuwd wie onze Paul Van Cauwenberghe uiteindelijk van een nieuw montuurtje voorzag. Dit hele spektakel kon de V.G.K. rustig van achter de veilige ruiten van café Amber bekijken.
Waar de V.G.K. ook furore mee maakte was de nieuwe functie van de Debat, die instond voor het organiseren van debatten en lezingen. Men keerde met de invoering van deze functie eigenlijk terug naar de oorspronkelijke kern waarop de V.G.K. in 1931 werd opgericht. Enkele debatten zijn zeker en vast bijgebleven; in 2008-2009 werd de V.G.K. nog getrakteerd op een tirade van de toenmalige hoofdredacteur van de Standaard Peter Vandermeersch, maar het meest opzienbarende debat van dat jaar was echter ongetwijfeld dat waar de broers De Wever en vader en zoon Anciaux samen aan tafel schoven. Door de massale opkomst werd op het laatste moment besloten om dit debat in auditorium E te laten doorgaan, dat uiteindelijk tot de nok vol gevuld werd.
Een opvallende constante in het praesidium is de aanwezigheid van Jacques Pottie die meer dan een decennium de functie “Reis” opnam in het praesidium. Onder zijn auspiciën bezocht de V.G.K. een reeks prachtige bestemmingen, van Berlijn over Egypte tot Griekenland, van Praag over Venetië tot de beruchte Tafelberg ergens in het Duitse schone. De schriftelijke neerslag daarvan kan u terugvinden in de broekzak van Jacques, op bierviltjes neergepend. Het was ook diezelfde Jacques die er na enkele jaren ijveren in slaagde om de V.G.K. warm te maken voor medewerking aan de Nacht van de Geschiedenis, een initiatief van het Davidsfonds waarop de kring nog elk jaar zijn stempel drukt. Verhalen over onder andere het studentenprotest aan de universiteit, studenten in de Eerste Wereldoorlog, smaak en feestelijkheden vonden zo de weg naar een breder publiek. Op vlak
van verbroedering werden de banden met de Leuvense Historia opnieuw aangehaald en men nodigde voortaan ook de Antwerpse Klio uit voor een jaarlijkse verbroedering die in één van de drie steden doorging. In de aanloop naar het lustrum van 2011 kon men tevreden terugkijken op de laatste jaren die van de V.G.K. een open, cultureel verantwoorde en vooral standvastige studentenvereniging hadden gemaakt.

 

2012-2016: VGK 3.0

Na het vorige lustrum (2011) heeft de V.G.K. nog wat veranderingen doorgevoerd, de eerste lijkt banaal; de “puntjes” tussen de afkorting zijn van het straatbeeld verdwenen en de kring wordt voortaan met afkorting “VGK” aangeduid. Belangrijker zijn natuurlijk de structurele hervormingen die de praesidia van de laatste vijf jaar hebben doorgevoerd en de kring hebben gemaakt tot wat ze vandaag is.
De praesidia van Jens Vanden Meerschaut en Arvid De Coster zijn niet zonder slag of stoot voorbijgegaan. Zij kwamen op de proppen met een nieuwe visie op de VGK en de focus verschoof naar de cantussen en feestelijkheden. Sinds de jaren ’80 had de VGK (toen met bijna alle andere Blandijnkringen) niet meer in de Vooruit gefuifd en in 2012 gebeurde dat opnieuw met de memorabele openingsfuif, in samenwerking met Filologica. De traditie werd verdergezet tot een laatste editie in 2015, waarna vanuit VGK werd beslist dat het concept voorbijgestreefd was en dat een Vooruitfuif met andere partners in het tweede semester een betere optie was. De VGK ging elk jaar twee keer op een culturele reis, een traditie die geleid heeft tot een hele resem bestemmingen; onder andere Sint-Petersburg, Malta, Praag, Boedapest, Berlijn, Ljubljana en de Balkan. Daarnaast werd ook een Skireis ingericht. Uiteraard ging niet altijd alles van een leien dakje (getuige daarvan is het befaamde “Het Grote Er Is Geen Cantus Vat” na een dubbele boeking van de zaal) en niet iedereen was het eens met de nieuwe koers die de VGK was ingegaan na een decennium waarin de functie Cultuur een erg belangrijk speerpunt van de VGK was geworden. Vermeldenswaardig waren echter de verbeterde focus op de alumniwerking en enkele nieuwe en gedurfde activiteiten zoals het “Middeleeuws Dolkvechten”, “Wijn en Zijn”, een debat over “de Zin van Geschiedenis” de workshops “Endnote” of “Zotero” en de “Sintershnaasavond”.
Een befaamde “bierestafette” tijdens de Verjaardagscantus op 26/11/2014.
In 2014-2016 werd met praesides Jasper Standaert en Ivo De Wulf de focus opnieuw meer op culturele aangelegenheden gelegd. Het aantal cultuuractiviteiten werd verhoogd, onder impuls van Cultuurverantwoordelijken Alex Peetermans en Evelyne Lemahieu, tot een gemiddelde van één activiteit per week. Dit werd verdergezet door hun opvolgers tot op de dag van vandaag. Hoewel enkele extravagante activiteiten van de voorgaande jaren werden geschrapt vanwege budgettaire noodzaak, kon men nog steeds uitpakken met de jaarlijkse en epische “Springbreak”, de Vooruitfuiven én een unieke jaarlijkse cantus (voor het eerst in 2014-15) in de cryptes van de St. Pietersabdij. De overige cantussen vonden opnieuw plaats in het epische zaaltje van de Salamander. De samenwerking met andere verenigingen binnen en buiten Gent werd aanzienlijk verhoogd door de organisatie van “De Nacht van de Geschiedenis” waarbij steeds meer instellingen werden betrokken, de medewerking aan “Lichtfront” ter ere van één eeuw Grote Oorlog, de “Blandijnse Muur” 25 jaar na de val van de Berlijnse Muur, maar ook door de samenvloeiing van de verschillende sportteams in één “Blandinia-team”. Hoewel we nog steeds over de Blandijn spreken kon men op deze manier toch voor heel wat sporten een team afvaardigen om de faculteit te vertegenwoordigen tijdens de interfacultaire competities.
Naast de reguliere werking is de VGK de voorbije twee jaar ook grondig dooreen geschud op structureel vlak. Door de goede werking van de Debatpraeses Arno Rombouts (die naast zijn succesvolle debatten en lezingen ook hier initiatief nam) en onder impuls van de Dagelijkse Besturen is de VGK sinds 2014 opnieuw actief zijn leden gaan vertegenwoordigen in de verschillende organen van de faculteit. Hoewel zij niet rechtstreeks door de VGK kunnen worden afgevaardigd slaagden enkele praesidiumleden erin om zich te laten verkiezen tot vertegenwoordiger in de faculteitsraad. Anderzijds ging de VGK ook een erg actieve rol spelen tijdens de vakgroepraden en opleidingscommissies die door de vakgroep Geschiedenis werden geïnstalleerd. Zo bestond de opleidingscommissie die het advies gaf over de laatste en grondige herwerking van het curriculum voor de volle 100% uit VGK-leden.
Een andere niet onbelangrijke nieuwigheid is de oprichting van twee nieuwe structuren naast onze eigen vereniging. In de eerste plaats een Gentse tak van de International Students of History Association (ISHA Ghent) die in 2016 al een deelname kon verwezenlijken aan een uniek Europees uitwisselingsproject met studenten Grafische Media uit Bremen. In de tweede plaats werd een vereniging zonder winstoogmerk gesticht, vzw HiStuGhent, die voortaan instaat voor de financiële en juridische ondersteuning van de Vlaamse Geschiedkundige Kring. Beide projecten werden in het tweede semester van academiejaar 2014-2015 uitgewerkt door de toenmalige praeses Jasper Standaert, vice Ivo De Wulf en Cultuur Alex Peetermans. Het voorzitterschap van de vzw werd opgenomen door Jasper en dat van ISHA Ghent door Alex, aangezien Ivo in het volgende jaar de nieuwe praeses werd. In de toekomst is het de bedoeling dat ISHA Ghent en de VGK nauw blijven samenwerken en dat zij beiden worden ondergebracht in de vzw HiStuGhent.
Doorheen de laatste jaren heeft de VGK, ondanks een dramatische daling in het aantal studenten Geschiedenis, een mooi actief ledenbestand kunnen opbouwen dat elk jaar het voorgaande heeft overtroffen. Waar er in 2012 nog slechts 8 eerstejaarsstudenten op de cantus verschenen, konden we er dit jaar niet minder dan veertig tellen (+- 1/3 van de generatiestudenten was aanwezig). Met praeses Wouter Reggers werd het lustrumjaar succesvol ingezet met opnieuw een jong en gemotiveerd team. Het jaar is eigenlijk nog maar begonnen, maar door het enthousiasme van de
leden en de inzet van het nieuwe praesidium werd opnieuw vertrouwen gesteld in een bloeiende kring. De toekomst ligt voor hen open om de VGK te behouden als de relevantste en de plezantste studentenvereniging in het Gentse! Ondertussen mag men klinken op 85 boeiende jaren, het liefst van al met een glaasje Lustrumbier.